Voorwoord
1. De voorspellingen
2. Het laatste testament
3. Kleine, lelijke Christus
4. Het spacesterrenschip
5. De witkielen
6. De buitenvlieger
7. Cannabis Christus
8. Christus wacht
9. Christus zwijgt
10. De brandende vuilnismand
11. Niet stichtelijk, eerwaarde
12. Christus op vrijersvoeten
13. Christus wordt Christus
14. Psycholoog in ongenade
15. De zeventien dimensies
16. Iris/Isis
17. De gruwelmeester
18. Verjaagd uit zijn kerk
19. Christus eerste klas
20. Afscheid van Christus?

Psychologie - 20 gesprekken met Christus

Ik zie hem zitten in de living van de resocialisatieafdeling. Getooid met een leesbrilletje doorbladert hij het boek van Nietzsche. Hij begroet me met wat gepuf en met de verhelderende boodschap dat Nietzsche ongetwijfeld geniaal is geweest maar dat hijzelf, Michel, er maar de helft of nog minder van snapt. Nietzsche's taal is heel mooi maar bevat veel woorden die hij niet kent. Zoals het woord perceptie. Hij vraagt me of ik toevallig weet wat dat betekent.

Volgens mij betekent perceptie zoveel als waarneming.

Spijtig toch dat hij zo weinig opleidingskansen heeft gekregen, vindt hij. Op zijn veertiende moest hij de schoolbanken verlaten om te gaan werken. In een matrassenfabriek dan nog.

Terwijl we ons naar de cafetaria begeven, legt hij uit dat Nietzsche hem alles bij elkaar niet bevalt. Op nogal wat plaatsen laat de Duitser zich behoorlijk neerbuigend uit over het gewone volk, over het gepeupel zoals het heet — en dat deugt niet. Nietzsche moet zich behoorlijk verheven, wie weet zelfs goddelijk hebben gevoeld. Terwijl uit iemands genialiteit toch helemaal niet andermans minderwaardigheid volgt. Nee, daarmee kan Michel Christus niet akkoord gaan. Iedereen gelijk!

Søren Kierkegaard smaakt hem beter. In vergelijking met Nietzsche drukt Kierkegaard zich een stuk duidelijker uit en van minachting voor de gewone mensen valt nauwelijks wat te merken. Volgens Søren komt het trouwens voor ieder mens afzonderlijk eerst en vooral erop aan om voor zichzelf te onderzoeken wat zijn bestaansreden is. En welnu, Michels bestaansreden was ontegensprekelijk Christus zijn. Jaja, was. Want die bestaansreden is hem zes jaar geleden dus wel door de psychiater ontstolen geworden.

Het verblijdt hem dat Søren over Jezus spreekt zonder hem te vereenzelvigen met de twijfelachtige godsdiensten die zich op hem beroepen. En blijkbaar was Søren ook een fan van Socrates. De wijze onwetende moet één van de slimste mensen ooit zijn geweest. Michel schreef er wat over in zijn Wereldgeschiedenis, maar herinnert zich niet meer wat precies.

Maar of Søren nu beter is dan Friedrich of niet: hij zou met geen van de twee willen ruilen. Ook Søren was immers zeer duidelijk niet zomaar begrijpelijk voor de gewone mensen. En als de gewone mensen je niet meer begrijpen, dan word je eenzaam, heel erg eenzaam. Wellicht is diepe eenzaamheid de prijs van een geniale geest.

Ik vraag hem of hij eenzaam is.

Ja hallo? Uiteraard! — maar dus vermoedelijk toch nog lang niet zo eenzaam als een Kierkegaard of een Nietzsche.

Hij vertelt dat collega-patiënte Pascale, die hij vorige week had leren kennen, afgelopen weekend geprobeerd heeft zelfmoord te plegen. Ze is uit het raam gesprongen en ligt nu met twee gebroken voeten en andere verwondingen in het hospitaal. De komende dagen zal hij haar opzoeken.

Zelf is hij zaterdag voorwaar naar de bioscoop getrokken. ‘Drakenhart’ is dan wel een kinderfilm, maar misschien maakt juist dat hem zo mooi. Die draak werd helemaal niet als een weerzinwekkend monster voorgesteld. Integendeel, hij bleek een vriendelijk, goedaardig beest. En van bruut geweld was geen sprake. Vergelijk dat maar eens met films voor volwassenen.

Hij lacht. Het was vast een vreemd gezicht, een oudere man in een zaal vol kinderen.

En zondag is hij samen met Jürgen gaan wandelen in de heuvels. Jürgen is een medepatiënt van een jaar of twintig aan wie het gegeven is om altijd en altijd opnieuw over hetzelfde te beginnen. Bovendien moet Jürgen om de haverklap plassen. Lieve help nee, gaan wandelen met Jürgen is echt geen pretje. Had het enkel van Michel afgehangen, Jürgen zou zijn thuisgebleven. Maar er is ook nog Christus, en dus mocht Jürgen toch nog mee.

Maar goed, ook zelf begint hij vanalles te mankeren. Hij wordt oud. En oud worden is ellendig. Want het is aftakeling. En aftakeling gaat altijd te traag. Kapotte ogen, kapotte maag, kapotte darmen, kapotte tanden, een kalend hoofd en overal rimpels, bevende handen, knikkende knieën, noem maar op.

Hij zegt zich laatst te hebben gerealiseerd dat hij in feite niet enkel opziet tegenwoordig niet enkel opziet tegen de rest van zijn leven — maar evengoed tegen de dood die daarna zal volgen. Hij lacht vertwijfeld.

Met die houding maakt hij het zichzelf wel heel erg moeilijk, grap ik wat ongelukkig.

Ach, klaagt hij luidruchtig, hij zou iets moeten doen! Hij zou zich weer ergens in moeten kunnen interesseren! Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Want hij had al zijn zinnen op de Christuswording gezet. En toen die zes jaar geleden werd afgebroken, bleef er helemaal niets over.

Na een lange stilte zegt hij een jaar of drie geleden een tijdje aan ‘begeleid wonen’ te hebben gedaan. De maanden voordien was zijn gemoedstoestand onverwachts verbeterd. Hij had ineens weer zin in het leven gekregen. Maar eens hij dan ook echt "begeleid woonde", was die verbetering alweer zo goed als volledig achter de rug. Hij begon zichzelf te verwaarlozen, waste zich niet meer, kookte niet meer, propte zich vol hasjiesj — en is uiteindelijk van pure ellende maar naar het zothuis teruggekeerd. Enkele maanden later was er dan zijn zelfmoordpoging.

De jongste tijd denkt hij weer regelmatig aan een leven buiten de kliniek. Maar waar moet hij naartoe? Dat "begeleid wonen" is alvast niks voor hem gebleken. Dat geeft veel te veel gezagsproblemen en andere miserie. Och, hij zou in Egypte willen wonen! Of in India! Wat zou dat leuk zijn zeg. Maar helaas financieel niet haalbaar. Er staan weliswaar ettelijke honderdduizenden franken op zijn spaarrekening — hij richt nauwelijks wat uit, dus het grootste deel van zijn sociale uitkering spaart hij al jarenlang op — maar dat volstaat natuurlijk absoluut niet om nog tien, twintig, wie weet zelfs nog dertig jaar in het buitenland te wonen. Dus ja, de kliniek verlaten — psychisch is hij er misschien stilaan wel klaar voor, maar zowel in lichamelijk als in financieel opzicht staan de sterren veel minder gunstig.

En ach, in feite heeft hij ook een vrouw nodig. Dát zou pas een oplossing voor zijn eenzaamheid zijn. Een mooie, jonge, lieve, hulpvaardige vrouw. Om van te houden. En om goed voor te zijn. En die ook goed zou zijn voor hem. Die hem goed zou verzorgen.

Hij moet denken aan zijn moeder. Hij heeft nog niets over haar verteld maar het ligt dan ook nog steeds gevoelig. Ze stierf toen hij zeventien was. Tja. Jezus Christus stierf met de vraag: "Vader, waarom hebt Gij mij verlaten?", merkt hij op. Maar voor Michel Christus zal de eindvraag luiden: "Moeder, waarom hebt gij mij verlaten?" Nee, hij zal nooit of nooit kunnen begrijpen waarom ze zo gauw van hem heeft moeten afscheid nemen.

Ik vraag hem hoe het komt dat ze zo jong is gestorven.

Het was kanker. En het was vreselijk om haar op zo'n korte tijd te zien wegkwijnen. Het waren de zwartste maanden uit zijn leven. Al was het in het oudelijk huis best wel vaker zwart. Er werd maar zelden gelachen. Plaats voor gevoelens en voor tederheid was er niet. Vader had zijn tirannieke trekjes. Onder vaders ogen verroerde moeder zich niet. Komt daar nog bij, zoals hij al vermeldde, dat hij op zijn veertiende is moeten gaan werken in de matrassenfabriek. Terwijl hij achteraf bekeken toch makkelijk universiteitsprofessor had kunnen worden!

Maar gelukkig is hij als jonge twintiger wel nog avondlessen gaan volgen. Engels, Frans en Duits tegelijk. En ook drie keer tegelijk de eerste van de klas! Dus nam hij er het jaarnadien ook nog even boekhouden bij. Met groot succes.

Van matrassenmaker tot boekhouder, vat ik samen.

Och, hij heeft op zoveel plaatsen gewerkt. En hij is op bijna net zoveel plaatsen ook weer buitengevlogen. Hij vraagt me of ik het hele verhaal wil horen. — Laat maar komen!

Oké. Begonnen in de matrassenfabriek. Maar al spoedig buitengevlogen. Dan in de slijpstenenfabriek. Buitengevlogen. Motorenfabriek. Buitengevlogen. Schoenenfabriek. Buitengevlogen. Arduinfabriek... — tot aan de legerdienst. Alwaar hij heeft gezworen, zo benadrukt hij sterk, om nooit meer veel te zullen drinken. Na de legerdienst terug naar de arduinfabriek, maar korte tijd later buitengevlogen. Vervolgens een tijdje in de metaalsector, dan een poosje in een ándere schoenenfabriek — en tóen is hij dus naar de avondschool gegaan.

Goh, die avondschool was echt een fijne tijd. Hij is toen nog praeses van de studentenvereniging geweest. In die hoedanigheid heeft hij toen zelfs leren speechen!

En zo ook studeerde Michel dus op een dag als boekhouder af. Maar nog geen twee jaar later was hij zijn nieuwe boekhoudersbestaan alweer spuugzat. En is hij maar vertegenwoordiger geworden. Bij een brouwerij. Zijn speechervaring is er nog goed van pas gekomen, verzekert hij me.

Hij lacht en vertelt hoe hij voor die job ooit in een reusachtige bierpot is geklommen. Op de Wieze-Oktoberfeesten was dat. Prachtig uitgedost in een middeleeuw kostuum. En in die bierpot werd hij dan rondgedragen om uiteindelijk op het podium te worden gedeponeerd. Jongens jongens, schatert hij, al die honderden lachende mensen toen! Dat waren nog eens tijden! — Nu ja. Enkele maanden later was hij alweer buitengevlogen.

Ik vraag hem waarom hij toch altijd en overal buitenvloog. Het lijkt bijna een patroon...

Gewoonlijk was hij het slachtoffer van spijtige misverstanden. Soms ook van flagrant misbruik. En we weten allemaal wat er gebeurt met een werknemer die zich tegen misbruik verzet: hij krijgt de bons. Neem nu de brouwerij. Die baas dacht in Michel zowaar een drinkebroer te hebben gevonden. Terwijl Michel in het leger toch al plechtig had gezworen dat hij nooit meer veel zou drinken. En zie, geen drinkebroer willen zijn, geen job meer hebben. Ach, er is zoveel onrecht in de wereld.

Maar het voorval dat hem definitief zijn vertrouwen in de rechtvaardigheid van het gerecht en van de rijkswacht heeft gekost, vond plaats op kerstdag 1972.

Kerstdag? Hmhm!

Welja, in de ochtend van 25 december 1973 raakte hij betrokken bij een verkeersongeval. Met als dubbel resultaat dat zijn wagen perte totale was en dat hij zichzelf tegen het middaguur in een politiecel terugvond. Waarna men hem in hoge mate heeft belazerd! Volledig ten onrechte werd hij voor het ongeval aansprakelijk gesteld! En volledig ten onrechte moest hij zijn rijbewijs inleveren! En volledig ten onrechte heeft hij toen ook een maand mogen brommen...

Volledig ten onrechte We moeten het gesprek stopzetten. Hij gaat nog wat in Kierkegaards dagboeken lezen, neemt hij zich voor. Als tijdelijke remedie tegen de totale verveling wel te verstaan. Er zit niets anders op. We maken een volgende afspraak.

Noot. Materiaal uit deze reeks mag enkel worden overgenomen mits voorafgaande toestemming van de auteur.

psychologie