Psychologie - 20 gesprekken met Christus
Michel zit wat ineengedoken in een zeteltje in de living van de resocialisatieafdeling. Na een koele begroeting begeleidt hij me zwijgzaam naar de cafetaria. Bij zich heeft hij een map.
Hij klaagt over de onbetrouwbare koffieautomaat, bedient ons trouw van de gebruikelijke koffie, zet zich neer en meldt dat hij de jongste dagen opnieuw de put insukkelt. Afgelopen zondag was het best leuk en "dus" gaat het nu weer bergaf. Zo werkt het nu eenmaal. Telkens wanneer het leven wat mooier belooft te worden, knalt hij al gauw van de weeromstuit — en met zijn plechtige excuses voor de uitdrukking — met zijn bakkes op de kasseistenen. En tja, reken maar dat wanneer het zo zit, het best moeilijk wordt om nog gelukkig te dúrven zijn. Ieder geluk wordt afgestraft door een nog groter ongeluk.
Hij zwijgt een hele poos. Tenslotte vraag ik hem wat voor geluk hij de voorbije week heeft gekend.
Welja, om te beginnen heeft hij zich wel vrolijk gevoeld tijdens het bezoek met Femke aan Brugge. Bovendien heeft hij eergisteren kennisgemaakt met Pascale, een medepatiënte van een jaar of dertig, gescheiden, kinderloos, bepaald geen schoonheid maar toch ook geen monster, met grote problemen in de realiteit — ach, best een lieve meid, maar net als de grote meerderheid ontbreekt het ook haar aan innerlijk leven. Aan de durf om eens een stapje buiten de realiteit te zetten. Ook met haar kan Michel niet over "zijn Christus" en de voorspellingen praten. Ze staat er niet voor open. Ze begrijpt er helemaal niks van.
Op dat moment komt de stagiaire-ergotherapeute de cafetaria binnen. Ze merkt ons op en verwelkomt zichzelf met de godsvruchtige woorden: ‘Zo zo, niks beters te doen?’ Ik antwoord vriendelijk in spreken met patiënten een niet te missen deugd te onderkennen en vraag haar om ons voorlopig te laten. Eens ze weg is, stelt Michel me de vraag of me niets is opgevallen. Ik vraag hem wat hij bedoelt.
Hij bedoelt dat de stagiaire wel een fraai snoetje heeft maar dat ze compleet in de realiteit leeft. Ze denkt niet na bij wat ze doet. Ze beschikt over geen greintje innerlijk leven. Ze schijnt zich niet te kunnen voorstellen dat patiënten in feite niet veel meer nodig hebben dan dat iemand van de zogenaamde hulpverleners naar hun gruwel, naar hun ellende, naar hun miserie zou willen luisteren aub. Bovendien zal het mij toch hopelijk niet ontgaan zijn dat de stagiaire wel een glimlachje en een vriendelijk woordje over had voor mijnheer De Psycholoog maar niet voor het patiëntje. Maar ach, dat laatste is natuurlijk dagelijkse kost. Het is gruwelijk. Die stagiaire voelt zich te goed, net als de witkielen, de gruwelkampbewaaksters. En net als de kuisvrouwen — ja hoor, zélfs de kuisvrouwen voelen zich hier te goed om met de patiënten te babbelen. Hij merkt het voortdurend. Met elkaar gaan ze best gemoedelijk om, maar naar de patiënten toe zijn ze nors.
Nu ja. De kuisvrouwen kan Michel ergens nog wel begrijpen. De patiënten buiten beschouwing gelaten zijn zij binnen de kliniekhiërarchie immers de allerallerlaagsten. En derhalve gefrustreerd. En van die frustraties zijn dan de patiënten, de allerallerállerlaagsten, naar gewoonte, de dupe.
Hij prijst me weer om mijn niet alledaagse omgang met de patiënten en zegt goeds over me te hebben gehoord. Maar hij waarschuwt me ervoor dat mijn gemoedelijke luisterbereidheid wellicht in hoge mate kan worden toegeschreven aan het feit dat ik nog maar een stagiair ben. Voorlopig blijft mijn geest nog gevrijwaard van de hoogmoed die het behalen van een diploma met zich schijnt mee te brengen. Hij twijfelt dus niet aan mijn goede bedoelingen maar betwijfelt des te meer of ik wel de innerlijke kracht zal kunnen ontwikkelen die nodig is om die hoogmoed nog lang van me vandaan te houden. Want opgelet! Van diploma's zwelt uw ego op!
Maar het gaat over meer dan over diploma's. Zo werkt een stagiair niet voor het geld. Reguliere personeelsleden daarentegen werken altijd ten minste gedeeltelijk voor het geld. Vaak zelfs alléén maar voor het geld. En in dat laatste geval maken ze het zich op het werk zo aangenaam mogelijk — en laten ze de patiënten ondertussen doodleuk aan hun gruwelijke lot over. Och, mensen doen echt alles voor geld. In ruil voor geld bedriegen ze elkaar, maken ze elkaar kapot, verraden ze hun trouwste vrienden. Hij vertelt hoe destijds zijn platenzaak werd leeggeroofd door zijn beste kameraad Guido. Voordat hij op reis naar de Middellandse Zee vertrok, vertrouwde Michel hem de sleutels van de zaak toe. Bij zijn terugkeer bleek alles verdwenen. Zoals voorspeld.
En daarmee neemt zijn klaagzang opnieuw een hoge vlucht. Oh hemel, wat zijn er toch veel mensen van slechte wil. Wat is de nood aan een nieuwe Christus toch groot. Jazeker, aan een nieuwe Christus die de goede wil reïntroduceert en een betere, menselijkere, liefdevollere wereld afdwingt.
Ik vul vragend aan: een liefdevollere wereld — nochtans geschapen door een sadistische God de Vader?
Misschien wel, maar misschien ook niet. Per slot van rekening is het bestaan van God nog steeds niet bewezen. Er zijn heel andere verklaringen mogelijk voor het ontstaan en het gedijen van het heelal. Ook al lopen al die verklaringen vroeg of laat wel spaak. Sommige wetenschappers hebben het over een oerknal. Andere over een kosmisch ei of een oererwt. Nog andere zijn ervan overtuigd dat we alles te danken hebben aan machtige buitenaardse wezens met telepathische gaven. Maar kijk eens, indien er werkelijk een God bestaat, en aangenomen nu maar even dat Hij wel degelijk geen sadist is, dan moet die God toch ongelofelijk veel spijt hebben. Misschien schaamt Hij zich zelfs. Bliljkbaar is het allemaal wat uit de hand gelopen. Wellicht kan Hij ook zelf alleen nog maar machteloos toekijken. Net als Michel Christus dus. Hij lacht groen.
Na opnieuw een lange stilte neemt hij zijn map. Ze bevat het dagboek dat hij schreef op reis doorheen Spanje, Griekenland, Israël en Tenerife, eind tachtiger jaren. De voorbije dagen heeft hij zich afgevraagd hoe hij onze ontmoetingen wat zou kunnen veraangenamen. Want kennismaken met een man die in een gruwel leeft en dus echt niet zoveel vrolijks te vertellen heeft: het kan voor mij toch geen lolletje zijn. — En welja, mocht het me interesseren, dan is hij gaarne bereid me zijn geschriften te laten lezen. Geschriften waaruit namelijk wel zal blijken dat het ooit anders is geweest. Dat er ooit een tijd is geweest waarin Michel echt lééfde en gelukkig was. Nu kijk, ik mag zelf kiezen wat ik ermee aanvang. Wil ik zijn schrijfsels lezen of niet? Voor hem is het gelijk. En ter vervanging van onze gesprekken of eerder ter aanvulling? Aan mij de keuze.
Ik antwoord erg in zijn leesaanbod geïnteresseerd te zijn, maar dan wel als aanvulling op onze gesprekken. Die laatste blijf ik als hoofdzaak beschouwen. Hij geeft me de map en zegt dat ik er desnoods tot aan mijn vertrek over kan beschikken. Al hoef ik ze ook geen minuut langer te houden dan ik wil. En mocht toevallig blijken dat zijn geschriften me zo mogelijk nog intenser vervelen dan zijn spreken, dan staat het me vrij hem daarvan op de hoogte te brengen.
Zonder een woord te zeggen staat hij op en wandelt weg — om even later terug te komen met verse koffie.
Naar aanleiding van het voorval met de stagiaire herinnert hij zich iets soortgelijks. Toen hij nog in de opnameafdeling was gestationeerd — 1990 was dat — verscheen op zekere ochtend in zijn kamer een onbekende stagiaire-verpleegkundige van een wel heel erg klein formaat. Wat ze evenwel ruimschoots compenseerde door een ongehoord luide keel op te zetten. Als een echte nazikampbewaakster beval ze de patiënten ogenblikkelijk op te staan en tot de wasactiviteiten over te gaan. Jezus toch! Hoe was dat toch mogelijk? Zo jong nog en toch al volledig door haar beroep bedorven. "IK ben De Verpleegster", moet ze gedacht hebben. Ach, natuurlijk was ze gefrustreerd over haar geringe lengte. Want dát zal ik als psychologiestudent toch wel begrijpen: dat veel kleine mensen omwille van hun kleinheid met een minderwaardigheidscomplex rondlopen. Ze hebben altijd en overal het nadeel van hun postuur. Daar kunnen ze geen minuut onderuit. Ook Michel zelf niet. Met zijn metertje drieënzestig.
Wie klein is, is de speelbal van de groten. Neem nu die keer in zijn stamcafé in D., jaren geleden. Hij zat daar toen gewoon op een barkruk. Valt er plots een troep stoere binken binnen. Eén daarvan komt naar Michel, licht hem van zijn barkruk op en dumpt hem in een andere hoek van het café op een stoel. Waarna de hele troep gezellig plaatsneemt aan de toog.
Tja! Dat zijn natuurlijk grote vernederingen. Vooral dan omdat je als kleine mens, wanneer het erop aankomt, compleet machteloos bent. Zolang het bij discussiëren blijft, heb je niet noodzakelijk een probleem. Maar van zodra het over fysieke macht gaat, moet je inbinden, toegeven, afgaan, het onderspit delven. En oh ja, als zo'n kleine mensen dan tóch in één of andere machtspositie terechtkomen, dan is er veel kans dat ze zich gaan wreken. Zoals dat welicht bij die opgefokte stagiaire-verpleegster het geval was. Bah!
Hij beklaagt zich weer over zijn gebrek aan perspectief. Hij zit hier opgesloten tot het einde van zijn dagen. Hij kan nergens meer naartoe. Hij kan niets meer beginnen.
Euh — hoezo nergens meer naartoe kunnen? Niets meer kunnen beginnen?
Maar enfin! Een man van vijfenvijftig jaar. Piepklein. Met slechte ogen. Met rommelende darmen en kapotte tanden. Wat staat zo iemand nog te doen? Waar moet zo iemand nog naartoe? Wie zou nog in zo iemand belangstelling hebben? En in zijn eentje kan hij het leven niet meer aan. Ook al was dat vroeger wel anders. Ja, vroeger trok hij zijn plan wel. Hij stoofde zijn potje en stofte zijn kamer. Maar daarvoor heeft hij vandaag geen moed meer. Er zit dus niets anders op dan zijn dagen te slijten in de gruwelkliniek. Iedere dag hetzelfde. Van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat hetzelfde. Opstaan, in de tuin wandelen, zitten, eten, in de tuin wandelen, zitten, eten, zitten, in de tuin wandelen, slapen.
Schrijft hij dan niet meer?, vraag ik hem nietsvermoedend.
Nu en dan schrijft hij nog weleens een kort stukje in zijn dagboek. Maar veel stelt dat niet voor. Waarover zou hij ook moeten schrijven? Als er niets gebeurt: waarover dan schrijven?
Uhm... lezen misschien?
Och. Hij weet dat er zoiets als een kliniekbibliotheek bestaat. Hij is er zelfs al een paar keer geweest. Maar boeiende boeken schijnt ze niet te bevatten. Zijn ogen gaan trouwens de jongste tijd pijlsnel achteruit. Het zicht wordt minder scherp en bovendien is er wat mis met zijn oogleden. Telkens wanneer hij ze over zijn ogen schuift, prikt er iets. Maar goed, dat laatste kwaaltje zal wel iets tijdelijks zijn.
Hij vraagt me wat ik zoal lees. Als rechtgeaarde student beken ik me de jongste tijd graag in te laten met Russische novelle- en romanschrijvers. Gogol, Gontsjarow, Toergenjew, Dostojewski, die dingen. En verder, wat de wijsgeren betreft, Kierkegaard en Nietzsche.
Romans interesseren hem niet. De naam Kierkegaard zegt hem niets. De naam Nietzsche wel. Was Nietzsche toevallig niet die filosoof die in een zothuis is geëindigd? Hij meent zoiets in zijn Wereldgeschiedenis te hebben opgeschreven. Ik verklap hem dat ook mij een dergelijk gerucht ter ore is gekomen. Hij vraagt me waarover Nietzsche heeft geschreven. Ik antwoord dat Nietzsche, naar ik meen, bovenal heeft geschreven over de mens. Waarop zijn vraag of ik bereid ben hem een boek van Nietzsche te lenen. Na enige aarzeling beloof ik hem zo'n boek te zullen bezorgen. — En oh ja, ook van die Kierkegaard of hoe was het mag ik iets meebrengen.
(De volgende ochtend bezorg ik hem De vrolijke wetenschap van Nietzsche en een boek met fragmenten uit Kierkegaards dagboeken.)
Noot. Materiaal uit deze reeks mag enkel worden overgenomen mits voorafgaande toestemming van de auteur.

