Voorwoord
1. De voorspellingen
2. Het laatste testament
3. Kleine, lelijke Christus
4. Het spacesterrenschip
5. De witkielen
6. De buitenvlieger
7. Cannabis Christus
8. Christus wacht
9. Christus zwijgt
10. De brandende vuilnismand
11. Niet stichtelijk, eerwaarde
12. Christus op vrijersvoeten
13. Christus wordt Christus
14. Psycholoog in ongenade
15. De zeventien dimensies
16. Iris/Isis
17. De gruwelmeester
18. Verjaagd uit zijn kerk
19. Christus eerste klas
20. Afscheid van Christus?

Psychologie - 20 gesprekken met Christus

Nog op weg naar de resocialisatieafdeling word ik al begroet met een glimlach en met het voorstel om ons maar meteen in de tuin te vestigen. Daar aangekomen vertelt hij de voorbije week geregeld in zijn ziel te hebben gekeken teneinde te vernemen hoe het nu precies "met Michel" is gesteld.

Hij wil eerst even terugkomen op wat hij in een vorig gesprek over zijn angsten zei. Want één van die angsten, de angst om krankzinnig te worden, is inmiddels zo goed als geweken. — Maar de angst voor iedere gewone dag, voor wat nog moet komen, voor de ouderdom, voor de lichamelijke aftakeling, voor de gruwel van de psychiatrische kliniek totdat de dood hem ervan zal verlossen, och, die vele andere angsten zijn zeer zeker niet geweken. Verder kampt hij met een slopend gevoel van weerzin jegens de realiteit van zijn leven, dat in feite geen leven meer is, eerder een voortdurend botsen met de realiteit, een leven vol angst, rusteloosheid, verveling, ontevredenheid, walging, onbegrip, boosheid.

Met name die boosheid houdt verband met zijn christuswording. Hij is boos op zichzèlf nu blijkt dat hij er alles bij elkaar niet zo best in geslaagd is Christus in de realiteit te brengen. En hij is boos op de rest van de mensheid nu blijkt dat die haar Christus niet aanvaardt. Al zijn er dan gelukkig toch twee mensen waarmee hij over zijn Christus mag spreken: Femke en ik – en hey hey, dat zijn toch niet de twee minsten, want allebei verstandig en zelfs student in de psychologie! Tja, wanneer hij mag spreken over zijn Christus, dan leeft hij weer even, zegt hij, dan is hij weer iemand. Op andere momenten is er slechts de gruwel.

Maar hij wil de stemming wat veraangenamen. Speciaal voor mij. Per slot van rekening ben ik dan wel ongelovig maar daarom toch nog niet minder piepjong en als zodanig niet zomaar opgewassen tegen de grote gruwelverhalen die hij op me afvuurt.

Iets luchtigers dus. Afgelopen zondag heeft hij de trein naar Brugge genomen om daar samen met Femke de Bloedprocessie annex Bloedkapel te bezoeken. Het voelde een beetje als een werkbezoek aan een collega, lacht hij. Al plaatst hij toch ook wel grote vraagtekens bij de precieze herkomst van dat bloed. Zou het echt dat van Jezus van Nazareth zijn? Hoe kan men dat zeker weten? — Maar natuurlijk gunt hij de gelovigen hun folklore ten volle — en daarbij, het uitstapje naar Brugge vormde een uitstekende gelegenheid om zich weer eens heel even mens te voelen.

Heel even. 's Avonds terug in de kliniek was het gevoel alweer verdwenen. Was hij weer gewoon een patiëntje in een zothuis. En als het zo zit, wordt met je mening geen rekening gehouden. Als patiënt ben je onmondig. Je bent een paria die echt niet op enig respect van het kliniekpersoneel hoeft te rekenen.

Hij verontschuldigt zich ervoor dat hij alweer zit te mopperen. Ik zeg hem dat ik dat eigenlijk niet eens zo erg vind.

Iedere psychiatrische instelling, gaat hij na wat stilte verder, zou een onafhankelijke ombudsman of ombudsvrouw moeten krijgen. Bij die vertrouwenspersoon zouden de patiënten dan terechtkunnen met al hun klachten over het kliniekgebeuren zonder represailles te moeten vrezen. Want kijk, wie hier vandaag teveel kabaal maakt, wordt in de gesloten afdeling gepropt of mag vertrekken. Door de komst van zo'n ombudsfiguur zouden de patiënten niet langer volledig overgeleverd zijn aan de grillige willekeur van de "kampbewaaksters".

Na opnieuw wat stilte vertelt hij me naar aanleiding van het vorige gesprek eens te hebben overlopen voor wie hij in de loop der jaren daadwerkelijk Christus in de realiteit is geweest. Zo herinnert hij zich de "harde jongeman" van de kunstacademie, die hem ooit verbaasd toeriep: "Maar Michel, gij zijt Christus!" Of Paul, een hardrocker, die net hezelfde riep. Of het ex-hardrockmeisje dat op de rechtbank werkte. "Wij geloven u", vertrouwde ze hem ooit toe. Of de punker die hem ooit vroeg: "Wat gaat er nu gebeuren?" Waarop Michel openbaarde: "Niets, want alles gebeurt in de geest!" Of Dick, in 1987, zijn toenmalige beste vriend, die persoonlijk ook van het bestaan van buitenaardse wezens overtuigd was en die, nadat Michel hem had uitgelegd "dat hij zegde dat hij Christus was", toegaf: "Daar zitten wij al zeer lang op te wachten, Michel". Jaja ja. Toen was Michel nog eens fantastisch Christus in de realiteit! – Moedertje moedertje, klaagt hij, waarom nu niet meer?

Hij wijst erop dat er 1986 en 1987 echt wel een heleboel "harden en hardrockers" ervan overtuigd waren dat er met Michel iets gaande was dat compleet buiten de realiteit omging. Logisch, want ze waren er stuk voor stuk getuige van hoe Michel maar niet ophield te leven temidden van gebeurtenissen die hij lange tijd voordien had voorspeld.

Nu ja... Eerlijk gezegd moet hij in verband met de voorspellingen nog wel iets kwijt. Soms gebeurde het namelijk weleens dat hij een voorspelling een beetje — euh — fakete. Een voorbeeld wil hem nu toevallig niet onmiddellijk te binnen schieten maar het was wel zo. Tja, door nu en dan wat te foefelen, wilde hij de dingen alleen nog maar mooier maken dan ze al waren, zo verontschuldigt hij zich.

Zomaar Christus zijn volstond hem niet?, vraag ik.

Hij relativeert zijn bekentenis: evengoed gebeurde het dat hij niemand van een bepaalde échte voorspelling in kennis stelde...

Ik vraag hem waarom hij zijn christuswording en zijn voorspellingen destijds toch vooral scheen "voor te behouden" aan hardrockers en harden. Hij meent mij die kwestie toch al te hebben uitgelegd. Die hardrockers waren per slot van rekening het beton en de harden het staal waarmee hij zijn kerk zou bouwen. Hij lacht.

Dat begrijp ik niet zo goed, geef ik toe.

Degenen aan wie hij zijn christusverhaal toevertrouwde, moesten tegen een stootje kunnen. Ze zouden namelijk samen met Michel Christus eens wat gaan beleven. Ze zouden samen met Michel Christus toetreden tot de buiten-de-realiteitsdimensie, en die reikt tot ver voorbij de grenzen van het courante menselijke denken en van de courante menselijke realiteit. Wees maar zeker dat lang niet iedereen tot zo'n beweging in staat is. De meeste mensen zijn in extreme mate aan hun dagdagelijkse realiteit verknocht. Ze durven geen millimeter innerlijker te leven. Maar voor hardrockers en aanverwanten zou dat toch geen probleem mogen zijn.

Achteraf bekeken vindt hij het trouwens best vervelend dat hij zijn harde getuigen nooit hun namen en contactgegevens vroeg. Daardoor is er nu geen manier meer om te bewijzen dat hij alles wat hij me over zijn christuswording vertelt niets dan de waarheid is. Hij wil echt niet liegen, benadrukt hij. – Maar ach, gelukkig zijn psychologen er net in gespecialiseerd om leugenpraatjes van waarheden te onderscheiden. Bij uitstek psychologen moeten toch weten — of wie weet voelen ze het wel — of iemand liegt of niet. En vermits ik, psycholoog in wording, nog steeds naar hem zit te luisteren, zijn er verdraaid goede redenen om aan te nemen dat ik hem wel degelijk geloof, of dat ik hem althans zou willen geloven.

Hij vraagt me of ik iets over Freud weet. Dat beaam ik en ik vraag hem waarom hij me de vraag stelt. Hij vraagt me wat Freud over dromen zegt. Freud heeft gezegd dat dromen als raadsels zijn die, wanneer men bereid is ze op te lossen, iets kunnen leren over de dromer, antwoord ik. Hij vraagt me of Freud misschien ook heeft gezegd dat dromen voorspellingen kunnen bevatten. Dat moet ik ontkennen, maar ik vraag hem hij dan misschien zelf wel ervaring heeft met voorspellende dromen.

Reken maar. Ten tijde van zijn christuswording droomde hij bijvoorbeeld eens hoe hij met een klein sleepbootje de oceanen bevoer. Na een tijdje bleek hij echter te zijn verzeild geraakt in een gebied waar zich tal van reusachtige draaikolken hadden gevormd. Pas na dagen van noodweer en doodsangst bereikte hij opnieuw rustiger wateren. En nu vraag hij zich af of die rustiger wateren misschien op zijn huidige realiteit slaan: de eentonige, "krankzinnig rustige" gruwelrealiteit van een zothuis.

En nog geruime tijd vòòr zijn christuswording droomde hij eens dat hij in een tank zat. En terwijl hij daar zat, besefte hij klaar te zijn voor iets groots. Maar zeker niet voor de oorlog! Dus waarvoor dan wel? — Voor zijn latere christuswording, wie weet? Hij kan dat in ieder geval niet uitsluiten. En trouwens, de bescherming van een tank is inderdaad wel onmisbaar wanneer men Christus wordt. Als je Christus bent, dan moet je een olifantenhuid hebben. Het heeft hem alles bij elkaar vooral erg veel gegruwel opgeleverd. Echt gruwelijk is het. Men heeft hem uitgelachen, men heeft hem bedrogen, men heeft hem bestolen en geslagen, men heeft hem uiteindelijk in een zothuis gestopt, een zothuis waarin hij nu al zes lange jaren zowaar de grootste gruwelrealiteit doormaakt die zich laat denken. Ach mensen toch. In feite is die Jezus er tweeduizend jaar geleden nog goed uitgekomen. Hij was er op twee of drie dagen vanaf. Verraad, verhoor, kruisiging, klaar. Michel van zijn kant gruwelt nu al jaren. Moedertje moedertje toch! Waarom? Hij heeft tranen in zijn ogen.

Na een tijdje toch nog wat leukere herinneringen. Aan die twee kleine Groenlanders, met hun blozende wangen. "You came from so far to visit me!", heeft hij ze 1987 hartelijk toegesproken, terwijl ze in werkelijkheid — maar ja, je moet steeds rekening houden met meerdere dimensies — wellicht niet speciaal voor hem naar België waren gekomen. Of aan die Joegoslavische basketbalspelers die op zekere dag zijn platenzaak binnenkwamen en van Michel Christus vernamen: "Kommunismus und Kapitalismus zusammen ist besser!" Of aan de hardrocker die hem eens kwam informeren over een hardrockconcert in de plaatselijke jeugdclub en van Michel ten antwoord kreeg: "Dan zal ik mijn zware botten maar eens aandoen!" Waarop de hardrocker: "Gij doet gij juist aan wat gij wilt."

Hij zegt de jongste tijd weer af en toe wat te schrijven. Hij tracht al zijn herineringen aan de christuswording vast te leggen voor het nageslacht. Zo krijgt de mensheid alsnog de kans om ooit te aanvaarden dat er een nieuwe Christus is geweest. Dan zwijgt hij weer een hele poos.

Waarna de melding dat hij binnenkort naar "Independance Day" wil gaan kijken. Het verhaal speelt zich af in New York, war op een dag een fenomenaal ruimteschip opdoemt, waaruit dan nog eens andere, ook nog wel fenomenale ruimteschepen tevoorschijn komen. — Hij vraagt me of hij me al vertelde over zijn eigen ervaring met wat hij sedertdien steevast noemt – een spacesterrenschip.

Space-ster-ren-schip?

Jazeker. het gebeurde in 1988 in het zuiden van Spanje. Op een avond was hij naar het strand getogen om aldaar, lekker in het mulle zand, zichzelf op een feestelijke joint te trakteren. En alles werd rustig... en bleef rustig... totdat ineens een groepje van drie zeer heldere sterren opdook dat zich tegen hoge snelheid van aan de horizon tot pal boven het strand bewoog! En alsof dat nog niet volstond, is het vervolgens ook nog helemaal terug naar de horizon gevlogen, alvorens erachter te verdwijnen! Hij schudt lachend zijn hoofd. Hij snapt er niks van.

Ik vraag naar lengte en maximumdiameter van genoemde joint.

Maar komaan zeg. Van een beetje cannabis ga je toch nog geen spacesterrenschepen zien! protesteert hij bepaald geanimeerd. Nee nee nee, hij lag daar echt niet zo onwezenlijk te flippen hoor, het was echt, erewoord, beloofd, zeker weten. — Ach ja, hij begrijpt natuurlijk wel dat het allemaal wat ongelofelijk klinkt. Maar het was waar. Het was realiteit. Of misschien beter: het was een buiten-de-realiteitsgebeurtenis in de realiteit.

Deh... een buiten-de-realiteitsgebeurtenis in de realiteit? Wat??

Welja. Er is dus aan de ene kant de dimensie van de realiteit en aan de andere kant de buiten-de-realiteitsdimensie ofte dimensie van de buiten-de-realiteitsgebeurtenissen. Maar omdat ondertussen al meermaals is gebleken dat ook buiten-de-realiteitsgebeurtenissen kunnen terechtkomen in de dimensie van de realiteit – zie christuswording, zie voorspellingen, zie spacesterrenschip, etc. – kan hij eigenlijk maar beter spreken van enerzijds een realistische realiteitsdimensie en anderzijds een innerlijke realiteitsdimensie of iets dergelijks – ach, hij geraakt er nog niet helemaal wijs uit maar neemt zich voor de dingen binnenkort nog eens op een rijtje te zullen zetten.

Hij onderscheidt trouwens nog wel meer dimensies, zo zet hij zijn betoog met de glimlach verder. In totaal zijn er zeven. Of ik erin ben geïnteresseerd ze te vernemen?

En daar gaat hij. De eerste dimensie is de realiteitsdimensie of de dimensie van de realistische realiteit, waarin hijzelf eenvoudigweg Michel is en ik eenvoudigweg mezelf, kortom: iedereen is daar dus gewoonweg zichzelf. De tweede dimensie is die van het ego: ikzelf heb daar het ego van Mijnheer De Psycholoog, met hoofdletters. Michel daarentegen heeft er het ego van patiënt, zonder hoofdletter. Jazeker: men heeft er Big Ego’s en ego-tjés. Maar hij stelt me gerust: hij merkt dat ik mij tot dusver niet al te zeer op mijn Big Ego van Mijnheer De Psycholoog verlaat.

Ten derde is er de buiten-de-realiteitsdimensie ofte innerlijke realiteitsdimensie. Daarin is Michel Christus. Maar evengoezd Boeddha, Krishna, Mohammed of Winnitou. In de buiten-de-realiteitsdimensie kan je namelijk zijn wie of wat je maar wil. Want voor de goede orde: iederéén mag wat Michel betreft Christus zijn. Of zelfs Zeus of Jahwe. Noem maar op. Voor elk wat wils. Maar alstublieft! — smeekt hij plots aandoenlijk: gun dan ook hem, alstublieft, zijn Christus.

Goed. De vierde dimensie is de dimensie van het goede, dat wil zeggen van de liefde, van de seksualiteit, van de grap en van de lach, van de marihuana en van de muziek. Lijnrecht daartegenover staat de vijfde dimensie of de dimensie van het kwaad en van de gruwel. Er heerst oorlog en vernietiging en men treft er gruweltypes allerhande. Moordernaar, verkrachters, pedofielen. En nee, de zesde dimensie is niet veel beter, want het is de dimensie van het beest! 666!

En dan tot slot de zevende dimensie — die van het mysterie. Hij vraagt me of ik kan volgen. Ik zeg hem dat zijn uiteenzetting mij als een groot mysterie in de oren klinkt. Derhalve leef ik nog voor een aanzienlijk deel in de zevende dimensie van het mysterie, diagnosticeert hij lachend.

Ik stel voor het gesprek hier te beëindigen en over een week de draad weer op te nemen. Maar hij wil me nog iets zeggen. Stel nu eens dat alle personeelsleden hier in de kliniek net zozeer als Femke en ik bereid zouden blijken om naar de patiënten te luisteren. Het leven hier zou veel leefbaarder zijn. De patiënten zouden niet langer gewoon als zotten worden behandeld maar als medemensen, als mensen die iets te vertellen hebben en die soms verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt. — Ziedaar een pluimpje voor mij en voor Femke.

Ik dank hem voor het pluimpje en zeg te hopen dat inderdaad ook nog andere mensen bereid zullen blijken om beter naar de patiënten te luisteren.

Hij vraagt me of mijn aabod van vorige week, om elkaar voortaan niet één maar twee keer per week te spreken, nog geldig is. We maken een vijfde afspraak, nog voor diezelfde week.

Noot. Materiaal uit deze reeks mag enkel worden overgenomen mits voorafgaande toestemming van de auteur.

psychologie