Psychologie - 20 gesprekken met Christus
Ik vind Michel voor de televisie. Er is nieuws uit het Midden-Oosten. Hij begroet me en zegt lachend erop te rekenen dat ik zijn belangstelling voor die regio wel ten volle zal begrijpen. Twintig minuten later, na het weerbericht, trekken we ons in de oudjescafetaria terug. Zonder een woord te zeggen biedt hij me koffie zonder melk en zonder suiker aan.
Hij zegt dat hij niet veel te melden heeft. Er is niets gebeurd. De dagen in de kliniek zijn allemaal gelijk. Heel af en toe maar verlaat hij het domein. Doorgaans heeft hij dan een afspraak met Femke.
Femke?
Femke, verduidelijkt hij, studeert net als ik psychologie en liep hier vórig jaar stage. Sedertdien spreken ze regelmatig af, maandelijks ongeveer. Temidden van zijn gruwel is Femke op die manier een minuscuul lichtpuntje. Maar dus wel een lichtpuntje. En een mens aan wie hij erg veel dank is verschuldigd. Aanstaande zondag gaan ze samen naar Brugge om er stil te staan bij het bloed van Jezus dat zich daar zou bevinden.
Wel te verstaan: zou. Want het is niet echt duideljk hoe ze er zo zeker kunnen van zijn dat dat beetje droogrest van menselijk bloed wel degelijk Jezus van Nazareth toebehoort. Hebben ze dan achterhaald hoe dat staaltje door de kruisvaarders vanuit Jeruzalem naar Brugge werd gebracht? En hadden Zijn apostelen dan destijds alvast Zijn bloedformule genoteerd ofzo? Kwestie van later te kunnen vergelijken? Je ziet het. Je moet zo'n dingen sceptisch benaderen. Maar hoe dan ook wil hij ernaartoe. Al was het maar uit respect voor zijn collega. Hij lacht.
Terug ernstig vraagt hij me of ik gelovig ben.
Nadat ik mezelf, de bijzondere kwalificaties van mijn gespreksgenoot indachtig, een ogenblikje heb afgevraagd tot welke netelige discusses mijn repliek zoal aanleiding zou kunnen geven, antwoord ik dat ik geloof van niet. Ik leg hem uit dat het me enerzijds, gezien een zekere fundamentele zekerhedenschaarste, bijna onmogelijk lijkt te geloven in niets, maar dat het me anderzijds evengoed bijna onmogelijk lijkt te geloven in een bejaard maar oppermachtig dirigent van alles en van zichzelf, hoog boven wolken en sterren verheven, tussen de rijstpap en het sjiek bestek. Nee, ik ben geen kerkganger. Ik vraag hem waarom hij me de vraag stelt.
Femke is wel gelovig, antwoordt hij. Ze gelooft in de God van de Katholieke Kerk. En hoewel hij mijn voorgangster een bijzonder warm hart toedraagt, belemmert haar gelovigheid zijn spreken. Ze kan niet alles aanhoren. Dat merkte hij al wel. En dat is trouwens het probleem van alle gelovigen: van sommige dingen willen ze gewoon niet weten. Hoewel hij toch bij uitstek Christus werd — uitgerekend voor de gelovigen. Dat is nogal logisch. Maar ze moeten hem dus niet. Ze schijnen het liever met de oude te doen. Onbegrijpelijk.
Ook binnen de kliniek verlopen zijn contacten met de Kerk niet altijd rimpelloos. Niet lang geleden had hij nog een vlammende discussie met de plaatselijke aalmoezenier. Michel verdedigde toen de overtuiging dat Menes Narmer, de zwarte farao die uit Nubië kwam, veel beschaafder en christelijker was dan onze eigen, katholieke Karel de Grote. Liet immers de genoemde de Grote, door de paus daartoe gefiatteerd, al wie zich niet tot het Rooms-Katholicisme wenste te bekeren doodleuk afslachten — ga maar eens na wat er met de Saksen is gebeurd —, dan ging het er onder Menes Narmer heel anders aan toe. Menes verving de godendienst van het Noorden — de cultus van Re — niet door die van het Zuiden — de cultus van Amon: nee nee, hij voegde ze samen! En de nieuwe hoofdgod heette dus gewoon Amon-Re.
Zodus? Wie was beschaafder? De aalmoezenier kon er niet mee lachen.
Jaren voordien, gaat hij dan verder, bezocht er eens een Jood zijn platenzaakje. En welja, die Jood heeft toen van een vriendelijke Michel de uitleg te horen gekregen dat Hitler er naar alle waarschijnlijkheid nooit in zou zijn geslaagd zijn duivelse plannen te realiseren zonder de massale geldelijke steun van – precies, van de Joden. Die Jood is niet meer teruggekomen.
En dat doet hem dan weer denken aan die keer dat hij een Pool het verhaal deed over die duizenden Polen, door de Duitsers ingehuurd, die gingen vechten tegen die duizenden andere Polen, door de Russen ingehuurd. Ach jongens, wat is het mensdom dom! Hoezeer zou het een Christus kunnen gebruiken!
Na wat stilte geeft hij toe dat één en ander misschien toch niet zo heel erg christelijk van hem is geweest. Intussen laat hij de mensen zo veel mogelijk met rust. Vooral om door de mensen zo veel mogelijk met rust te worden gelaten. Door het kliniekpersoneel bijvoorbeeld, de verpleegkundigen, de therapeuten, de psychologen, de psychiaters. "Christus komt op zijn tijd", herhaalt hij nog eens wrokkig de welkomstwoorden van de psychiater. En dat noemde zich psychiater! Waar was die man mee bezig? Dácht die kerel eigenlijk wel? Zat hij aan de sterke drank misschien?
En ook de meeste verpleegkundigen lijken van geen kanten te denken. Ze zitten helemaal vast in de realiteit. Ze volgen orders op, meer niet. Ze zijn compleet vergeten dat ze met mensen bezig zijn. Ook patiënten zijn toch mensen. Blijkbaar een soort paria's — maar toch mensen. Terwijl de verpleegsters ervan overtuigd zijn dat ze in een nazikamp werken. Zoveel is duidelijk. De gruwelkampbewaaksters!
Vanmorgen nog ondervond hij weer eens aan den lijve wat het betekent patiënt in een zothuis te zijn. Toen hij in zijn adamskostuumpje stond, klaar om onder de douche te stappen, ging ineens de badkamerdeur open — waarna hij door de verpleegster doodleuk van kop (over varia) tot teen geïnspecteerd werd. Ze genoot er zichtbaar van. Wat trouwens op zich het probleem niet was. Maar je ziet toch maar weer dat van zodra je patiënt bent, en van zodra die verpleegsters een witte jas dragen, iedere beleefdheid, ieder basisrespect in rook opgaat. Gehuld in de kleur van de onschuld schijnen die mensen zich werkelijk alles te kunnen veroorloven. Het is gestoord.
Met de psychologen heeft hij tot dusver weinig problemen gehad. Wel vraagt hij zich al zes jaar af waarom de psycholoog hem destijds bij zijn opname gevraagd heeft of hij misschien problemen had in verband met homoseksualiteit. Hij snapt er helemaal niks van. Hoe kwam die psycho op zo'n gek idee? Want euh nee, een homofiel is hij toch echt wel niet. Sterker! Homofilie is een ziekte. Het is tegen de natuur. Daarover is hij het eens met de paus. Natuurlijk mogen de homofielen doen wat ze niet laten kunnen. Zolang het allemaal maar vrijwillig gebeurt. En niet met kinderen. Maar zelf doet hij er dus hoe dan ook niet aan mee. Bah!
Hij stelt voor ons naar de tuin te begeven. Hij vindt zijn vertellingen meer dan voldoende saai opdat ze zo'n decorwijziging wel zouden kunnen verantwoorden. We verlaten de oudjescafetaria en zetten ons wat later op een bankje in de herfstzon.
Na wat stilte zegt hij de vogels te benijden. Ze zijn zo onmetelijk vrij. Geen kliniekmuur is hoog genoeg. Hij wou dat hij een adelaar was. Zo'n leven zonder grenzen en zonder vijanden moet heerlijk zijn.
Michel krijgt weer tranen in zijn ogen. Hij herinnert zich dat hij tijdens een wandeling, lang geleden, op een punt kwam waar de weide van een jonge stier en die van een jonge hengst elkaar raakten. De twee kinderdieren zijn toen naar hem toegekomen, hij heeft ze allebei tegelijk kunnen aaien en toespreken. Weer zo'n prachtige herinnering, snikt hij, — die intense verbondenheid met de natuur.
Maar nu zit hij hier opgesloten in een zothuis! Hij zucht diep en zwijgt opnieuw een poos.
Vroeger, gaat hij ten slotte verder, vroeger was het allemaal anders. Wat zou hij toch graag weer leven. De reizen, de Christuswording, de voorspellingen, dát was leven! Want hij heeft geleefd. En hij leeft trouwens nog steeds — maar dan in een verstikkende gruwel waar geen plaats is voor zijn innerlijke rijkdom. Hij zucht weer diep en vat een stilte aan die langer duurt dan alle vorige bij elkaar. Ze eindigt pas in mijn vraag naar hoe dat dan was, dat leven waarover hij spreekt.
Oh welja, hij leefde toen tegen drie-, wat zeg ik vijf-, wat zeg ik achthonderd kilometer per uur. Seks, drugs en rock 'n' roll. En er waren toen een heleboel mensen waarvoor hij Christus mocht zijn. En wat volgens hem nog het verbazingwekkendst was: sommige mensen geloofden hem zelfs! — Maar hier moet ik hem goed begrijpen, benadrukt hij. Want voor zichzelf was "zijn Christus", zoals hij het bij gebrek aan beter is gaan noemen, geen kwestie van geloven maar van voelen, of beter nog: van weten, van een innerlijke zekerheid. En opnieuw springen de tranen hem in de ogen. Hij smeekt me gepassioneerd hem alstublieft te geloven. Hij liegt echt niet, — het is werkelijk allemaal echt zo gebeurd!
Ik vraag hem waarom hij het feit dat sommigen hem geloofden zo verbazingwekkend vindt. Per slot van rekening is hij toch geen politicus?
Maar komaan zeg! Een mens die zegt dat hij Christus is, en dan nog zo'n kleine, lelijke mens als hij... je gaat die mens toch niet vanzelf geloven. Of wel misschien. En toch waren er dus die het allemaal geloofden. Onvoorstelbaar vindt hij het.
Ik vraag hem wat het voor hem betekende te worden geloofd.
Wel, eigenaardig genoeg deinsde hij er een beetje voor terug. En wanneer geloof in aanbidding dreigde te ontaarden, zorgde hij er wel voor dat de mensen meteen weer in de realiteit terechtkwamen. Doorgaans door iets geweldig onnozels te zeggen. Dat hij die avond frieten ging bakken, zoiets.
Daar begrijp ik niet zoveel van, moet ik hem bekennen.
Zelf begrijpt hij het ook niet zo goed — maar misschien is het vergelijkbaar met wat hij ook als zelfstandige ondervond, als caféhouder, dancinguitbater, fonoplatenboer. Voor hem was het beste eraf eens de zaak uit de grond was gestampt. Het ging altijd weer over het opbouwen, het streven-naar, niet over het bereikt-hebben. En zo zat het blijkbaar ook met zijn Christus. Het ging niet over Christus zijn, het ging over Christus worden. En trouwens, vult hij aan: hoezeer de Christuswording zich ooit ook zou doorzetten, hij zou altijd nog voor een deeltje ook gewoon Michel blijven. Michel, die kleine mens met zijn vrije wil. Niet onder Christus maar ernaast. Want Christus mag heel veel, maar niet alles. Men moet immers, besluit hij lachend, toch altijd nog een beetje realistisch blijven.
Ik stel voor het daarbij te laten voor vandaag en de draad over een week weer op te pakken. Dat is oké, maar hij wijst me er nog maar eens op dat hij best wel zou kunnen begrijpen mochten zijn gezelschap en zijn spreken mij toch voornamelijk stierlijk vervelen. En dat ik hem daarom misschien eigenlijk veel liever pas over veertien dagen weer kom opzoeken.
Ik zeg hem dat ik vooralsnog bij mezelf geen enkel ernstig spoor van verveling heb kunnen vaststellen. We maken een afspraak voor de volgende week.

