Psychologie - 20 gesprekken met Christus
Ik tref hem in de living van de resocialisatieafdeling. Hij begroet me met een glimlach en met de vraag of ik zijn boeken wil zien. Zo kan je het wel uitdrukken ja.
Waarna hij me zwijgend naar zijn kamer begeleidt. Daar aangekomen biedt hij me een stoel aan en neemt dan vijf grote ringmappen uit de kast. De dikste, waarop een grote papieren "8" kleeft, legt hij op tafel. Het titelblad liegt er niet om: "Het laatste oordeel of het laatste testament (onafgewerkt), geschreven door een mens die zegde dat hij Christus was." Hij lacht. De map bevat naar schatting zeshonderd A4-ruitjesbladen, langs beide zijden beschreven door een even verzorgd als piepklein handschrift.
Ik prijs hem om zijn volharding. Die moet substantieel zijn geweest om een dergelijk werk te kunnen afleveren. Terwijl ik de map doorblader, vertelt hij me niet alleen in 1978 maar ook in 1979 en 1981 Egypte te hebben bezocht. In die periode schreef hij ook vaak dag en nacht. Het was een tijdperk van groot enthousiasme en van eindeloze energie. Zo anders dan vandaag. Vandaag heeft hij voor niets nog belangstelling. Hij zit er maar wat lethargisch bij.Hij zet muziek van Tina Turner op en prijst ze om haar eeuwige jeugd. Tina blijft dansen als een twintiger en blijft stevig. Prima.
Hij opent nu ook de andere mappen. Michels "Egyptische geschiedenis". Michels "Reisdagboek 1988-1990", geschreven op reis door Spanje, Portugal, Griekenland, Israël en Tenerife. Verder Michels naslagwerk over "Historische steden en staten". Hij laat me ze allemaal uitgebreid inkijken, ik geef mijn ogen de kost.
Na een poosje stelt hij voor ons opnieuw naar de oudjescafetaria te begeven. Daar kunnen we verder praten.
Terwijl we ons verplaatsen,vertelt hij me de voorbije jaren meermaals te hebben overwogen het boek over de wereldgeschiedenis te herschrijven. Er zitten veel hiaten en wanordelijkheden in. Maar het ontbreekt hem aan de nodige moed. Bovendien mist hij de materiële middelen. "De open ruimte, een grote werktafel met zicht op zee". Nu goed, hoe dan ook zou de enige reden om het boek op punt te stellen erin bestaan dat een postume erkenning van zijn Christuswording er waarschijnlijker door wordt. Postuum, want de hoop op een erkenning nog tijdens zijn leven heeft hij nu wel bijna volledig opgegeven. Bijna.
In de cafetaria gearriveerd vraagt hij me of ik net als de vorige keer koffie zonder melk en suiker wil. Ik merk op dat zijn geheugen blijkbaar niets te wensen overlaat. Dat moet hij relativeren. In de memorabele saaiheid van zijn realiteit wordt nog maar zelden op zijn geheugen een beroep gedaan. De uitzonderlijke nieuwigheden kunnen er daardoor heus nog wel bij.
Hij herneemt zijn klaagzang. Zijn realiteit is uitzichtloos. Er is geen plaats voor de Christuswording. Christus beperkt zich noodgedwongen tot zijn innerlijk. Maar zelfs daar staan de zaken op een laag pitje. Al merkt hij wel dat spreken het gevoel van de Christuswording weer enigszins oproept. Vagelijk, in de verte. Hoe tragisch toch dat hij niet vaker Christus in de realiteit mocht zijn!
Ik vraag hem wat dat voor hem betekent: Christus in de realiteit zijn.
Christus zijn heeft helemaal niets te maken met sensationele nederdalingen uit de hemel. Op een wolkje, met een gouden aureooltje, begeleid door engeltjes en trompetgeschal. Hij lacht. Christus zijn betekent evenmin: sterven aan het kruis. Weggestopt worden in de psychiatrie is trouwens geen ongebruikelijk alternatief. Christus zijn betekent ook niet: wonderen verrichten. De lammen doen gaan, de blinden doen zien, over het water wandelen en verrijzen — och God, Christus zijn betekent niet eens: de zoon zijn van God. Het bestaan van God is helemaal niet zeker. Niemand heeft hem ooit gezien of gehoord. Hij is onvindbaar als geen ander en het vele leed in de wereld pleit tégen zijn bestaan. Tenzij het over een sadistische God zou gaan. Trouwens, evenmin Boeddha had toch een God De Vader nodig om er te komen. Aha.
Euh, Boeddha?
Hij toont me de hartvormige amulet die hij om zijn hals draagt. Aan de voorzijde staat "Christus" geschreven. Aan de achterkant, netjes onder elkaar, "Mohammed", "Boeddha", "Krishna", "Winnitou". Ik laat mij de opmerking ontvallen dat hij kennelijk nog wel meer in zijn mars heeft. Hij lacht weer. Ach welja, het maakt in feite niet eens zoveel uit wie hij nu precies mag zijn, legt hij uit. Zolang hij maar iemand mag zijn.
Hij vertelt me dat hij vroeger geregeld positieve reacties kreeg op zijn bijzondere identiteit. Die Nijmeegse boeddhisten bijvoorbeeld, lang geleden alweer, beschouwden hem als een regelrechte boeddha, een verlichte. En dat kon hij wel smaken, want hij voelt zich evengoed verwant met Boeddha en Krishna en Mohammed en Winnitou als met Christus. Ze hebben allemaal het eeuwige leven. En dat wil hij zelf ook wel.
Maar met Mohammed is er een probleempje. De Islamprofeet onderscheidt zich van de anderen door zijn persoonlijke gewelddadigheid. In de loop der tijden is in naam van alle godsdiensten veel bloed vergoten, maar Mohammed heeft ook eigenhandig mensen in de pan gehakt, weet hij. En dat is betreurenswaardig.
"Michel Christus hakt geen mensen in de pan?", informeer ik.
Klopt. In principe is Michel Christus vredelievend. Maar helaas moet vaak van macht en geweld gebruik worden gemaakt om vrede te bereiken. Daarom heeft hij het plan opgevat een Christusleger te stichten — vooropgesteld natuurlijk dat de Christuswording zich toch nog een keer zou doorzetten. In het Christusleger zouden soldaten van alle rassen en nationaliteiten worden samengebracht. Alle regeringen van de wereld zouden elk 8.888 soldaten moeten toezeggen. Michel Christus zou aan het hoofd komen te staan van een indrukwekkende strijdmacht, vergelijkbaar met het VN-leger, maar dan actiever, kleurrijker, sneller, massaler. Een heldhaftig leger dat dienst doet als bedreiging ten overstaan van bedreigers, die daardoor wel op betere ideeën zouden komen. Hij lacht.
Tegelijk moet ook de "kleinere criminaliteit" bikkelhard worden aangepakt . Caféruziemakers, verkrachters, inbrekers, pedofielen: voor Michel Christus mogen ze allemaal en zonder pardon de kogel krijgen, zodat er een wereld kan ontstaan waarin geweld nog enkel voorkomt in de geschiedenisboeken, als een historisch verschijnsel dat het waard is te worden herinnerd.
Verder zouden euthanasie en cannabis moeten gelegaliseerd worden. Hij zegt ook zelf cannabis te hebben gebruikt en looft de effecten daarvan. Het roken van de hennepplant leidt lang niet in dezelfde mate als het gebruik van alcohol tot agressie en verslaving. Bovendien stelt cannabis de gebruiker in staat wat "innerlijker" te leven, zich wat losser te maken van de zogenaamde realiteit, wat beter te gaan beseffen dat er nog duizenden andere realiteiten mogelijk zijn, die allemaal hun oorsprong vinden in het innerlijk van de mens. Ach, zoveel mensen leven als slaven van "de" realiteit!
Toch was de cannabiservaring niet onverdeeld positief. Alles welbeschouwd leefde hij ook vóór zijn ontmoeting met de vrouw van de hennep al dermate van de realiteit verwijderd dat de problematische verhouding tussen realiteit en innerlijk er alleen maar dubbel zo problematisch door werd. Ach, in feite is net dat de kern van zijn probleem: er gaapt een kloof tussen zijn innerlijke beleving en de gruwel van de realiteit. De realiteit laat niet toe dat ook maar het minste van zijn innerlijke beleving werkelijkheid wordt.
Euthanasie dan. Euthanasie moet gelegaliseerd worden uit respect voor mensen zoals hij en zoals nogal wat van zijn medepatiënten. Mensen die hun leven "uitzitten" zonder enig perspectief. Mensen in lichamelijke en geestelijke pijn die wachten op de talmende dood. Euthanasie zou zulke mensen de mogelijkheid bieden zich op een ongedwongen, menswaardige manier van hun bodemloze miserie te ontdoen. Je zou een soort aanvraag moeten kunnen indienen, waarna er een verplichte bedenktijd ingaat. Na afloop daarvan zou je dan je keuze moeten bevestigen — of niet.
Ik vraag hem of hij van zo'n recht gebruik zou maken.
Niet meer. Drie jaar geleden ondernam hij wel een zelfmoordpoging. Hij legt uit hoe hij toen een paar gebakjes kocht, ze uitholde, ze weer opvulde met heimelijk opgespaarde slaappillen en de zaak tot slot naar binnen werkte met een karton sinaasappelsap. Resultaat was echter niet zozeer een voorspoedige dood als wel een feestelijke fietscrash in een beekje nabij de kliniek. Plus een urenlange blackout. En later, weer bij bewustzijn, bleek alles nog precies hetzelfde. Dat viel dus niet mee. Je zou jezelf voor minder beloven iets dergelijks nooit meer te proberen. Bovendien zegt iets hem dat de Christuswording vroeg of laat alsnog opnieuw in de realiteit zou kunnen komen. Dat is een tweede goede reden om de dood niet zelf op te zoeken.
Hij herinnert zich nu dat hij de hardrockers en de harden in 1986 al vertelde dat Christus pas ten volle in de realiteit zou komen nadat "de slag in de vlakte van Megiddo" heeft plaatsgevonden — zie Heilige Schrift. Ik vraag hem waaraan je zoal kan merken dat Christus, zoals hij zich uitdrukt, "in de realiteit is".
Aan de voorspellingen natuurlijk! Iedere voorspelling vormde een onmiskenbaar bewijs voor de realiteit van de Christuswording. Tijdens de voorspellingsvlagen was dat zonneklaar. Het leek er toen zelfs sterk op dat de realiteit "haar Christus" ook echt zou gaan erkennen. Maar dat is allemaal lang geleden. Vandaag is Michel enkel innerlijk Christus. Maar wel degelijk Christus. En met veel nadruk en gestrengheid: dat denkt hij niet, dat gelooft hij niet, dat wéét hij.
Dan wat stilte.
Hij wil iets rechtzetten. Vorige keer heeft hij me uitgelegd dat vermoedelijk geen enkele voorspelling van de tweede vlaag door de hardrockers en de harden ook echt "ineengestoken" werd. Maar dat klopt waarschijnlijk niet. Drie voorspelde gebeurtenissen zijn echt wel té toevallig om zomaar uit de lucht te komen vallen.
De eerste gebeurtenis vond plaats in Athene. Tijdens een wandeling door de stad zag hij op een parkeerterrein acht wagens staan, keurig naast elkaar. En welnu, die acht wagens hadden stuk voor stuk een nummerplaat waarvan de som van de getallen acht was. "8-8-8-8-8-8-8-8". Die wagens kwamen trouwens uit verschillende landen. Duitsland, Polen, Griekenland, Nederland, Groot-Brittannië, minstens. Iets dergelijks kan geen toeval zijn. Al is het een even groot raadsel wie zich dan de moeite zou hebben getroost, ten eerste van het opzoekwerk naar geschikte nummerplaten en ten tweede van het organiseren van het transport van al die wagens, en alleen maar omdat "een klein mensje uit T. dat zegt dat het Christus is het heeft voorspeld". Hij lacht vertwijfeld. Ook zelf snapt hij er eigenlijk helemaal niets van.
Een andere eigenaardigheid speelde zich in de stad P. af. Daar had hij een paar uur met een hoertje doorgebracht en na afloop had de jongedame hem een plastic aansteker gegeven met de naam van een café erop: De Slurper. Toen hij later die avond richting snelweg reed, sloeg hij ineens en onverklaarbaar genoeg een andere straat in. En welja, geloof het of niet: op het einde van die straat zag hij plots café De Slurper. Helemaal verlicht
Als gedwongen door een onontkoombare kracht haastte hij zich het café binnen. De scene die zich vervolgens afspeelde, bleek hij nauwkeurig te hebben voorspeld. Hij had namelijk voorspeld dat zich een situatie zou voordoen waaruit zou blijken dat ook een kleine, tengere, op het eerste gezicht machteloze mens in staat is zijn wil op te leggen aan een bende grote, sterke, ongure figuren. En kijk, het gebeurde die avond in De Slurper.
Centraal in de scene staat de caféhoudster. Nog kleiner van gestalte dan Michel zelf, scheen ze zich aanvankelijk uitstekend te vermaken. Ze danste met zowat al die grote, ruige types, hardrockers en zo, die haar kroeg bevolkten. Plots echter kwam uit het achterhuis van het café een ook weer kleine man tevoorschijn. Hij liep naar de dansende bazin, zei haar dat ze moest sluiten en trok zich weer terug.
Plots barst Michel in tranen uit. Het is één van zijn mooiste herinneringen, snikt hij. En hij gaat verder. Want nadat die kleine man weer was verdwenen, was Michel getuige van de tact en de zelfverzekerdheid waarmee de kleine bazin de sluiting voltrok. Hoe subtiel ze al die gore, gure types in een mum van tijd de deur uitwerkte. En hoe geweldloos dat allemaal verliep, hoewel ze fysiek toch zonder meer de mindere was.
Hij verontschuldigt zich voor zijn tranen en zwijgt een tijdje. Hij vraagt zich nog altijd af waarom hij die avond met zijn auto ineens een andere straat insloeg — waar al de rest uit volgde. Toeval kan het niet zijn geweest. Tegelijk gaat het zijn petje te boven.
Nog voordat ik hem kan vragen of het klopt dat ook hijzelf (dixit psychologisch dossier) een tijdje een café heeft uitgebaat, gaat hij in op de derde en laatste "té toevallige" gebeurtenis. Hij had ooit voorspeld dat hij aan de Nederlands-Belgische grens een drugcontrole zou meemaken. Gelukkig zou hij zich daarbij niet op cannabisbezit laten betrappen.
Zo voorspeld, zo gedaan. De douanier heeft hem gefouilleerd. De douanier heeft de wiet niet gevonden. Wel was het Michel tijdens de fouillage opgevallen dat de arm der wet zijn hand nogal lang in Michels rechterbroekzak had gehouden. En geloof het of niet, maar toen hij later die avond thuiskwam en zijn zakken leegmaakte, trof hij tot zijn verstomming in zijn rechterbroekzak de verpakking van een Suzywafeltje aan!
Michels vraag ligt voor de hand. Waarom heeft die douanier dat gedaan? Wat bezielde die man? Hij zwijgt weer een poos..
Ik stel voor het voor vandaag hierbij te laten. Goed, maar nog één ding wil hij kwijt. Het moet hem van het hart dat alles wat hij zegt, en hoe ongelofelijk het ook mag klinken, de waarheid is. Hij heeft het allemaal zelf meegemaakt. Ik zeg hem dat ik hem dan ook helemaal niet van leugenachtigheid verdenk. We maken een derde afspraak. Hij herhaalt nog eens dat hij deugd heeft van het spreken, maar het perspectief van de zoveelste dode namiddag is bedroevend — nu goed, het zal wel gaan.

