Voorwoord
1. De voorspellingen
2. Het laatste testament
3. Kleine, lelijke Christus
4. Het spacesterrenschip
5. De witkielen
6. De buitenvlieger
7. Cannabis Christus
8. Christus wacht
9. Christus zwijgt
10. De brandende vuilnismand
11. Niet stichtelijk, eerwaarde
12. Christus op vrijersvoeten
13. Christus wordt Christus
14. Psycholoog in ongenade
15. De zeventien dimensies
16. Iris/Isis
17. De gruwelmeester
18. Verjaagd uit zijn kerk
19. Christus eerste klas
20. Afscheid van Christus?

Psychologie - 20 gesprekken met Christus

Na een lange speurtocht doorheen zowat de hele "resocialisatieafdeling" houdt de verpleegster die ik achtervolg ten slotte halt bij een kleine, naar schatting vijftigjarige man in joggingpak, op witte klompen. Ze vertelt hem "dat de stagiair van de psychologische dienst weleens graag met hem zou babbelen." De man antwoordt daarvoor open te staan. De dame in het wit trekt zich terug. Ze heeft nog zoveel werk.

Zijn voorbeeld volgend steek ik een sigaret op. Ik ga tegen een muurtje leunen, stel mezelf voor en leg hem uit dat ik de voorbije dagen nogal wat psychologische dossiers heb zitten inkijken, waaronder het zijne, en dat ik daarin heb gelezen dat hij iemand zoekt, d.w.z. zes jaar geleden iemand zocht, aan wie hij zijn verhaal zou mogen doen. Ik vraag hem of dat ook nu nog zo is. Dat bevestigt hij — om echter aan zijn bevestiging gauw toe te voegen dat ieder gesprek een vroegtijdig einde zou kennen als hij zou merken dat ik hem niet geloof. Van mensen die hem niet geloven, heeft hij zijn buik boordevol.

Ik verzeker hem dat het allerminst mijn bedoeling is zijn verhaal te beoordelen. Liever zou ik het gewoon beluisteren. Hij is dus vrij in zijn spreken: hij mag zeggen wat hij wil, moet niet zeggen wat hij niet wil.

Michel stemt toe en stelt voor ons naar de cafetaria van de geriatrische afdeling te begeven. Die is doorgaans verlaten maar biedt wel het comfort van drankautomaten, asbakken, verwarming, fraaie zetels en zelfs enkele planten. Als zodanig vormt ze een bepaald prettiger gesprekskader dan één of ander vensterloos bunkerkamertje in de nieuwbouw.

Aangekomen in de oudjescafetaria biedt Michel me koffie aan. Hij zet zich neer en vraagt me wat ik wil weten. Ik herhaal vooral te willen luisteren naar zijn verhaal. Hij mag beginnen waar hij wil. — In dat geval is de keuze eenvoudig. Alles is per slot van rekening begonnen met de voorspellingen. Hij haalt diep adem, giechelt eventjes zenuwachtig en begint eraan.

In de tweede helft van de jaren tachtig heeft Michel liefst drie "voorspellingsvlagen" doorgemaakt. In zo'n "voorspellingsvlaag" schoten hem gedachten te binnen en deed hij soms ook uitspraken over feiten die zich pas later in de werkelijkheid zouden voordoen. Niet dat hij zich van zijn voorspellende eigenschappen bewust was. Meteen nadat hij een voorspelling gedacht of verwoord had, vergat hij ze namelijk ook weer. Pas wanneer de feiten een voorspelling achterhaalden, herinnerde Michel zich ze te hebben voorspeld.

Ik vraag hem of ik mij deze voorspellingen, uhm, wellicht mag voorstellen als een soort van déjà vu’s? — Nee nee nee, niks van: hij heeft nooit dingen gezien, hij was geen ziener. Hij dácht dingen, die hij soms ook uitsprak. Het waren altijd woorden, nooit beelden. Hou op.

Hij gaat in op de verschillen tussen de drie voorspellingsvlagen.

De voorspellingen van de eerste vlaag is hij later denkvoorspellingen gaan noemen. Hij sprak die voorspellingen nooit uit, hij dacht ze alleen maar. En op die manier voorspelde hij ooit doorheen Spanje, Portugal, Griekenland, Israël te zullen gaan reizen, dat hij ooit in Nijmegen en in Gent zou gaan wonen, dat hij in Gent op korte tijd een miljoen (BEF) zou gaan opfeesten — en ook wel dat hij nog een keer in deze eigenste psychiatrische kliniek zou belanden.

De voorspellingen van de tweede vlaag hadden betrekking op gebeurtenissen die door derde personen moesten "ineengestoken" worden. Michel gaf opdrachten aan sommige klanten van zijn platenzaak — vooral aan "hardrockers en harden" — en die moesten er dan voor zorgen dat die opdrachten behoorlijk werden uitgevoerd. En zo voorspelde hij een drugcontrole aan de Belgisch-Nederlandse grens, de opkomst van Gorbatsjov, de kernramp in Tsjernobyl, de ondergang van de Herald of Free Enterprise, het leegroven van zijn platenzaak, ach, met naam en toenaam van de dader.

Michel gaat ervan uit dat geen enkele voorspelling uit de tweede vlaag ook echt "ineengestoken" werd. Dat kan makkeiljk worden afgeleid uit de vaststelling dat alle voorspelde feiten zich uiteindelijk toch maar één keer hebben voorgedaan, d.w.z. uit zichzelf. Waren ze "ineengestoken" geweest, dan hadden ze zich natuurlijk twéé keer voorgedaan. Eén keer uit zichzelf — en dan nog een keer. Achteraf beschouwd vindt Michel het trouwens maar goed dat niemand aan zijn bevelen gehoor heeft gegeven. Zo zijn duizenden mensen dan toch niet vroegtijdig moeten overlijden. Twee keer Herald, twee keer Tsjernobyl, enz.

Tijdens de derde vlaag maakte Michel dan voorspellingen die door de hardrockers en de harden ineengestoken mochten worden maar die ook zonder hun hulp wel in orde zouden komen. Iedereen mocht meedoen op vrijwillige basis. Aldus voorspelde hij een ontmoeting met een Zaïrese schone en met "een vrouw met staalharde borsten en een beeldschoon, rank lichaam", — hij benadrukt dat de juiste woordkeuze belangrijk is. Ook nog voorspelde hij tijdens de derde vlaag dat hij ooit op het marktplein van het stadje D. zijn voet zou zetten op een verfrommeld pakje sigaretten waarin nog welgeteld acht sigaretten gingen zitten.

Naar aanleiding van dat laatste kan ik mijn opperste verwondering niet langer verborgen houden. Want voorspellen dat je een verfrommeld pakje sigaretten zal aantreffen, in wiens naam ook: wat is daarvan de zin?

Voor hem is alles duidelijk. Het was niet toevallig dat er nog welgeteld acht sigaretten in het pakje zaten. Maar opdat ik dat zou kunnen begrijpen, moet hij me eerst over iets anders informeren. Iets waarover hij evenwel niet meer graag spreekt. Dáárover spreken heeft hem namelijk al veel gedonder opgeleverd. Het heeft hem zelfs in de gruwelijke realiteit van de psychiatrische kliniek gebracht. Maar vermits hij inmiddels gelooft dat hij me wel kan vertrouwen — hij beroept zich in dit verband op zijn uitstekende intuïtie — en temeer omdat ik er waarschijnlijk via zijn dossier toch al van op de hoogte ben, wil hij het wel vertellen.

Michel biecht op: hij kent de ervaring van een Christuswording. En welja, omdat het cijfer van Christus 888 is, zoals het cijfer van het beest 666 is, is het schijnbaar betekenisloze feit dat zich in het pakje nog acht sigaretten bevonden juist zo betekenisvol. Hij vraagt me of ik meer wil horen. Reken maar!

Wel, het cijfer van Christus zit ook in Michels geboortedatum: 18 september 1942. 18 + 9 + 1942 is immers 1969. En 19 + 69 is immers 88. Neem vervolgens de 8 van de 18 en zie: dat geeft 888! En nu beseft hij ook wel dat al die andere mensen, geboren op diezelfde dag, evengoed het cijfer van Christus dragen, en dat er nog heel wat andere data zijn waarmee je 888 kan maken — maar hey hey, hij heeft het toch ook! Hij lacht.

Ik sta allang paf. Michel gaat gewoon verder.

De Christuswording voltrok zich in een aantal fasen. In de loop van 1985, lang voor het begin van de eerste voorspellingsvlaag, deden zich twee opmerkelijke gebeurtenissen voor. Op een dag zat hij rustig in zijn woonkamer toen hij plots, en zonder dat te willen, in het Algemeen Nederlands sprak: "Ik aanvaard dat".

En een paar weken later lag hij op een avond in bed toen hij ineens opnieuw die zin uitsprak — maar nu in het dialect: "Ah ba ja-ik, ik aanvaardekik da".

Meteen echter nadat Michel deze woorden had uitgesproken, vergat hij ze ook weer, net zoals bij de voorspellingen.

Maar.

In de nacht van 25 op 26 februari 1986 lag hij in bed. Het digitale uurwerk van zijn tv-toestel gaf 23.55 uur aan. Zonder erbij na te denken richtte Michel zijn hoofd op en sprak: "Ik ben Christus".

Hij stond perplex. Vreemd genoeg echter voelde hij zich tegelijk erg rustig, zelfzeker ook. En heel anders dan de voorspellingen en de aanvaarding zou hij deze uitspraak voor geen dag meer vergeten.

De volgende ochtend is hij dan in zijn platenzaak beginnen uitleggen "dat hij zegde" dat hij Christus is. Van bij het begin waren het voornamelijk "hardrockers en harden" die van de blijde gebeurtenis in kennis werden gesteld. De hardrockers waren het staal en de harden het beton waarmee hij zijn kerk zou gaan bouwen, zegt hij lachend. Kort na deze mysterieuze Christuswording volgde dan de eerste voorspellingsvlaag.

Michel geeft toe dat hij er ook zelf, een decennium na de feiten, nog steeds niet veel van begrijpt. Iedere verklaring ontsnapt hem. Toch kan hij de realiteit van de gebeurtenissen niet ontkennen. Hij heeft het toch allemaal zelf beleefd. Nee nee, het was geen fantasie.

Maar de zoektocht naar een precieze verklaring voor de Christuswording is vandaag niet zijn grootste zorg. Vandaag zit hij al jaren in een psychiatrische kliniek. Hij wordt er zot van. De tranen springen hem in de ogen wanneer hij terugblikt op het eerste gesprek met de psychiater, zes jaar geleden. Hoe is het toch mogelijk dat die hem niet heeft willen geloven! Dat was tegen alle verwachtingen in! Was hij dan niet naar de kliniek gekomen om zich door de experts van de menselijke psyche tot weldenkend mens te laten verklaren? Zodat de mogelijkheid zou ontstaan van een erkenning door de aalmoezenier, door de priester, door de bisschop, door de kardinaal en tenslotte door de paus, de stad en de wereld?

Het mocht niet zijn. "Christus komt op zijn tijd", heeft de psychiater hem bits geantwoord. En blijkbaar was daarmee voor de expert van de menselijke psyche de kous af.

Sedertdien leeft Michel in wat hij een "gruweltunnel" noemt. Gruwelijke realiteit van de psychiatrie, waarin niets erop wijst dat de Christuswording zich ooit opnieuw tot in de realiteit zal mogen uitstrekken. De zalige vreugde van de Christuswording heeft plaats geruimd voor altijd weer dezelfde, dode, dodende dagen. Vandaag is gelijk aan gisteren en aan morgen. En was het hem nu maar vergund zich wat minder van die realiteit bewust te moeten zijn. Want hoe ondraaglijk is zo'n realiteit met een bewustzijn als het zijne!

Michel wordt nu heel somber. Hij zou willen sterven, zegt hij. Liever morgen dan overmorgen en liefst nog vandaag. Waarom nog duizend keer wandelen in de tuin waarin hij al duizend keer gewandeld heeft? Waarom nog duizend keren ontwaken op telkens weer dezelfde ochtend van telkens weer dezelfde dag? Hij zou willen sterven. Zelfs al is de gruwel vandaag draaglijker dan in het begin.

Hij legt uit hoe hij korte tijd na de "oerconfrontatie" met de psychiater een panieknacht doormaakte. Hoe het toen langs alle kanten tot hem doordrong "dat hij uit de voorspellingen was gevallen" en in een zothuis was beland. Het klopte allemaal niet meer. Ook de daaropvolgende maanden en jaren bleef hij kampen met helse angsten. Vooral 's ochtends bij het ontwaken. De angst om te blijven liggen. De angst om op te staan. De angst om krankzinnig te worden. De angst die hem massa's scheten deed laten, doorgaans vijf per ochtend, "vijfde dimensie van de gruwel". De angst die hem de controle over zijn zindelijkheid kostte, die zijn beddegoed besmeurde. En jazeker, die angst is de jongste tijd wat draaglijker geworden, deels door walging en afschuw vervangen. Maar hoe verafschuwt hij nu de realiteit, die hem beknot, die hem zijn Christuswording niet gunt.

Michel wacht dus. Er ziet niets anders op. Want temidden van de gruwel is er dat ene sprankeltje hoop op een heropflakkering van de Christuswording. Alleen die hoop houdt hem overeind. Diep in zijn innerlijk is Christus springlevend. Hij trappelt van ongeduld om weer naar buiten te komen. Maar hoe groot is de kans dat Christus opnieuw in de realiteit zal mogen worden gebracht? Nee, het schijnt hem niet te zijn gegund. Hij zou willen sterven. Iedere dag opnieuw. Enkel dat sprankeltje hoop weerhoudt hem van zelfmoord. Hij moet wachten. Hij moet hopen. Zo niet verloochent hij "zijn Christus".

Volgt dan een lange stilte, die ik ten slotte doorbreek met een vraag naar het boek dat hij zou geschreven hebben. Een boek over de wereldgeschiedenis?

Michel verbetert: niet alleen over de wereldgeschiedenis maar ook en zelfs vooral over de Egyptische geschiedenis heeft hij boeken geschreven. Hij begon eraan na zijn eerste reis naar Egypte in 1978. Toen is het hem duidelijk geworden dat duizenden jaren van menselijke geschiedenis en van zogenaamde "evolutie" en "vooruitgang" niet hebben verhinderd dat de mensen ondertussen steeds hetzelfde zijn gebleven. Enerzijds waren er ook in de Egyptische tijd al grote architecten, economen en sterrenkundigen. Anderzijds moorden de mensen elkaar ook vandaag nog vrolijk uit. De belangrijkste conclusie van zijn studie van de Egyptische geschiedenis en bij uitbreiding van de wereldgeschiedenis is dan ook dat de geschiedenis van de mensheid een geschiedenis is van leed en bloed. Het katholieke verhaal dat hem lang geleden op school werd aangeleerd, over de schone lotsbestemming van de mens, over het paradijs in de toekomst, berust op niets anders dan op waanzin en/of leugen.

Het boek over de wereldgeschiedenis houdt op bij de moord op de Egyptische president Sadat – maar ik onderbreek hem. Ik wil het voorlopig hierbij laten en stel hem voor het gesprek volgende week verder te zetten. Hij vraagt zich af of dat wel zinvol is. Waarschijnlijk kan hij zijn verhaal toch alleen nog maar een keer herhalen. Het leven is hier niet zo spannend. Ik zeg hem dat hij wat mij betreft mag herhalen wat en zo vaak hij maar wil. Hij moet zich voorlopig niet inhouden. Verder vertel ik hem dat ik een drietal maanden in de kliniek zal rondhangen en graag bereid ben hem in die periode regelmatig te blijven spreken.

Omdat hij merkt dat spreken zijn gruwel tempert, stemt hij toe. Als hij mag spreken over "zijn Christus", heeft hij weer even het gevoel te leven. We maken een tweede afspraak.

Noot. Materiaal uit deze reeks mag enkel worden overgenomen mits voorafgaande toestemming van de auteur.

psychologie